Vaderklap

View Original

Wanneer de vaderklap over is…

Eigenlijk is de titel van deze website meer dan toepasselijk voor wat mijn vader en ik uren aan een stuk samen konden doen: praten. We zagen mekaar niet zo vaak (druk, druk, druk, weet je wel), maar we belden elke week voor onze dosis ‘vaderklap’.

De ene vader tegen de andere. Over voetbal en de Rode Duivels, over politiek, over de kleine en grote kwesties van het leven. Over alles en dus vooral over niets. We hebben samen de wereld veranderd, want uiteraard wisten we het altijd beter dan de rest. Vertonghen op linksachter? Maar allez!

Ik kijk uit naar de vele gesprekken die ik zo met mijn zoon en mijn dochter zal hebben. Nu zijn ze nog wat klein (vijf en drie), en hoewel de gesprekken over Pokémon, LEGO en frietjes niet minder ‘zinvol’ zijn, hoop ik ook zo’n band met hen te hebben, zoals ik er één had de laatste jaren met mijn papa.

 

Mijn vader was als niet zo jonge papa (34 toen ik geboren werd, in de jaren tachtig zeker niet de norm zoals nu) eerder afwezig dan aanwezig. C’est la vie. Gelukkig was hij er wél sinds de geboorte van mijn koters: als een échte fiere opa. Trots op zijn kids, trots op de onze.

Het is 14 juli 2017, le Quatorze Juillet in Frankrijk, en het zal per toeval de laatste keer worden dat ik mijn vader nog hoor. Ik was namelijk onderweg om een interview af te nemen bij een drone-bedrijf uit het Antwerpse en was op tijd vertrokken omdat de files daar nogal onvoorspelbaar kunnen zijn.

Papa moest die dag naar het ziekenhuis voor een routine-operatie. We hadden er ook niet zo bij stilgestaan. Eind 2016 had hij nog een zware openhart-operatie gehad en dit was een follow-up waarbij hij een pacemaker en defibrillator kreeg ingeplant. De dokters hadden dit ook eerder als een preventieve ingreep aangekondigd. Na al de emotie van het jaar voordien, maakte niemand zich dus zorgen.

Ik was een half uur te vroeg op mijn bestemming. Nauwelijks file gehad. Omdat je moeilijk ergens zoveel te vroeg kan binnenvallen, belde ik hem nog even. Hij nam op. Opgewekt, maar ook een beetje verveeld, omdat hij vreesde dat hij het hele weekend in het ziekenhuis zou moeten blijven. Little did he know. We hebben toen een tiental minuten met elkaar gebeld. Geen idee nog waarover het ging. Ik weet wel nog hoe we het gesprek afsloten.

  • Hij zei: “Ik moet gaan, de verpleegster komt me halen voor de operatie.”
  • Ik antwoordde: “Da’s goed, veel succes, ik hoor je vanavond, oké?”
  • “Beloofd,” zei hij nog.

Rond drie uur ‘s namiddags kwam het telefoontje van mijn zus. “We moeten straks naar het ziekenhuis gaan!” Ze had had zelf geen uitleg gekregen. Alleen dat het niet goed was en dat we zo snel mogelijk naar Gasthuisberg moesten.

“De operatie is goed verlopen,” vertelde de dokter. “De pace-maker en de defibrillator werden goed ingeplant. Maar bij het testen van de defibrillator is het fout gelopen.” Blijkbaar is het een procedure dat zo’n ding ook getest wordt. Ze veroorzaken dan met opzet een hartritmestoornis en kijken of hetapparaat werkt. Het werkte. Maar papa niet meer. Zijn grote hart kon het niet meer aan, na de zware operatie van vorig jaar. Ze hebben hem 45 minuten gereanimeerd. Veel te lang.

Hij heeft uiteindelijk nog een week in coma gelegen, maar zijn hersenactiviteit was al weg. Je blijft je vastklampen aan een strohalm, terwijl je diep vanbinnen al weet hoe laat het is. Het is bevreemdend.

Het lijkt ook zo, alsof hij gewoon slaapt en elk moment zijn ogen kan opendoen. Maar de epileptische toevallen bleven mekaar snel opvolgen (het resultaat van de hersenschade die hij had opgelopen tijdens de reanimatie), en de dokters gaven ons elke dag steeds minder hoop.

21 juli 2017. Alweer zo’n dag van nationaal eergevoel. “Alleen dan en wanneer de Rode Duivels winnen, zijn we écht Belg, hé pa.” We wisten al dat er geen hoop meer was. Mijn zus en ik werden voor de onmogelijke opdracht gezet om te beslissen over het stopzetten van de beademing. We hadden ervoor gekozen om dat op zaterdagochtend te doen. “Dat zal wel zijn!”, moet papa gedacht hebben. “Ik ga wanneer ik het wil.”

Rond 23u die vrijdagavond, kreeg ik alweer telefoon. Dat er een infectie was opgetreden en we snel moesten komen om afscheid te nemen. Een half uur later stond ik in Gasthuisberg. Te laat. Hij was al vertrokken. Hij werd door de mensen van het ziekenhuis in een sereen kamertje apart gezet, waar we hem konden gaan groeten. Wat me opviel, is hoe snel iemand lijkbleek wordt… was dat papa nog wel?

Wat daarop volgde, kan ik alleen maar omschrijven als de meest surrealistische periode van mijn leven.

Wie mijn vorige blog van de vroeggeboorte van mijn beide kinderen heeft gelezen (zie: rollercoaster van een prematuur), weet dat ik dat niet lichtzinnig zeg. Alles wat je moet regelen, de begrafenis, de notaris, het papierwerk, de rekeningen, de bank, abonnementen afzeggen, … het is allemaal in een soort van waas gebeurd. Gelukkig waren we met z’n tweeën, mijn zus en ik. De begrafenis, een week later, was heel erg emotioneel, zoals je wel zou verwachten. Afscheid nemen van je vader is niet iets wat je wil doen, wanneer je zelf nog maar halverwege de dertig bent. Ook voor mijn kinderen was het niet eenvoudig om het allemaal te vatten. “Ligt ‘papi’ in de kist, papa?”

Ik heb een grafrede geschreven. Het moeilijkste wat ik ooit op papier heb gezet. Het werd mijn laatste ‘vaderklap’ met hem. Ik vroeg hem nog één ding: “Hou een plaatsje voor me vrij, daar waar je bent. Dan drinken we later een pint samen en praten we over alles. En niets. Tot dan.”

En aan iedereen die dit artikel leest: bel naar je vader, ga op bezoek, pak hem eens goed vast en zeg hem dat je van hem houdt. Want je hebt er maar één. En voor je het weet is de vaderklap gedaan…